19, 20 en 21 Eeuwse Kunst


Toevoegen aan winkelwagen
Maximum: 1

Woude, Mare van der Woude
[2006140]

€1.100,00

5 van 5 sterren5 van 5 sterren

Mare van der Woude
1936

Cornelia, Anna, Margaretha van der Woude geboren 20-04-1936 te Neede.
Schilderes, tekenares en grafica.
Matr./Techn: olieverf, etsen, pentekening, pastel en aquarel.
Onderwerpen: De mens in relatie tot zijn omgeving, portretten, landschappen, stillevens en bloemen.
Toepassingen: vrij werk, cartoons, strips, illustraties en publiciteitsvormgeving.
Stijl: nieuw figuratief.
Onderscheidingen en prijzen: Prix de Collioure 1965.
Gehuwd met Tjeerd Visser (Beeldhouwer, tekenaar).
Verblijf: Neede, Lisse, Leeuwarden, Drachten, Duurswoude 1969, Wijnjewoude 1980-1984, Oranjewoud omstreeks 1991.
Opleiding: A.B.K. Minerva Groningen.
Organisaties: Boun Fan Fryske Kunstners BFFK en Fryske Kultuurried omstreeks 1992.
Exposeerde bij verscheidene galeriën en instellingen in het land.
Vertegenwoordigd met werk bij instellingen, bedrijven en particuliere verzamelaars.
Het hierbij afgebeelde werk getiteld: "Op weg naar het einde" uit 1960 geeft een typisch jaren 60 beeld weer, ontsproten uit gevoelens en gedachten van deze kunstenares in die periode van haar leven.
Het werk komt uit de privé collectie van de bekende galerie/ kunsthandel(aar) van Hulsen uit Leeuwarden.

30 mei 2008

Mare van der Woude. Ogenschijnlijk, 1967
Gisteren ging in het Harmonie-gebouw in Groningen de tentoonstelling ‘Geheimen uit Friesland’ van start. De tentoonstelling, die is samengesteld door studenten van de RUG, laat werk zien van Anne Huitema en Mare van der Woude uit de jaren zestig en zeventig. Deze werken zijn afkomstig uit de verzameling van Gosse Sierksma (1913-1997). Deze collectie is ondergebracht in het Museum Smallingerland in Drachten. Hieronder de tekst van mijn openingswoord.
‘Geheimen uit Friesland’. Degene die de titel van deze de tentoonstelling heeft bedacht kan enig gevoel voor suspense niet worden ontzegd. ‘Wat voor geheimen heeft de kunst uit Friesland te bieden?’, zou een Groninger zich misschien afvragen als hij de uitnodiging deze expositie onder ogen krijgt. En toch is deze titel wellicht niet zo exotisch als men denkt. Toen ik mij vorig jaar begon te verdiepen in de geschiedenis van de naoorlogse kunst in Friesland, stuitte ik op heel wat verrassingen. Kunstenaars bijvoorbeeld, wiens naam mij bekend was, maar van wie ik het werk niet of nauwelijks kende. Anderen waren mij wel bekend, maar ik wist het verhaal niet dat hun leven en werk met elkaar verbindt, de tijd die ze samen beleefd hebben en die kleur heeft gegeven aan hun werk. ‘De kleur van Friesland’, zoals ik mijn boek over de naoorlogse kunst heb genoemd, is hoe je het ook wendt of keert vooral het verhaal geworden van eenlingen, sommigen bekend, anderen minder bekend, maar met elkaar de geschiedenis vormend die voor veel mensen tal van geheimen bevat. Hoe zit het toch met die eigenaardige en eigenzinnige eenlingen die de Friese kunst heeft voortgebracht? Ik heb geprobeerd die mythe te relativeren en ook het andere verhaal te vertellen, de verbanden die er waren met de grote wereld om Friesland heen, maar telkens weer stuitte ik op eigenzinnige einzelgänger die moeilijk in een breder verband te plaatsen zijn.

Mare van der Woude, 1968
Mare van der Woude en Anne Huitema behoren zeker tot die categorie van einzelgänger. Wat ze met elkaar gemeen hebben is eigenlijk niet meer dan hun tijd van leven. Ze verschillen slechts vijf jaar in leeftijd, de één is vier jaar voor de oorlog geboren, de ander net in de oorlog, twee generatiegenoten dus, die beiden hun kunstopleiding volgden hier in Groningen aan de Academie Minerva. Ze traden beiden in het begin van de jaren zestig als kunstenaar naar voren. Anne Huitema debuteerde al op zijn 23ste in 1964 bij Kunstzaal van Hulsen in Leeuwarden. Twee jaar daarvoor trad Mare van der Woude voor het eerst naar buiten onder de naam Corrie Visser, de naam van haar echtgenote Tjeerd Visser die destijds nog werkzaam was als fysiotherapeut in Drachten, maar ook als kunstenaar van zich deed spreken. De expressieve en soms semi-abstracte pentekeningen van Mare van der Woude verraden in die begintijd de invloed van Jan Roedé en Paul Klee, maar hebben ook iets decoratiefs, wat niet verwonderlijk is gezien haar activiteiten als boekillustrator. Dat speelse, dromerige en illustratieve zou ook altijd in haar werk aanwezig blijven, zeker in haar tekeningen die ook hier op deze tentoonstelling zijn te zien.

Anne Huitema, plattegrond
Anne Huitema daarentegen presenteert zich al vroeg in een geheel eigen stijl die zich vertaalt in etsen en later ook kleuretsen en andere grafische technieken. Het is een eigen wereld waarin het Friese dorp en het landschap uit elementaire bouwstenen wordt opgebouwd. Een wereld van beslotenheid die een grote gevoeligheid lat zien. Het werk van Anne Huitema is ingetogen, maar ook heel precies en verraadt ook een decoratieve stilering en een liefde voor het grafisch ambacht. De intieme beslotenheid van het Friese dorp wordt vertaald in een dromerige wereld van sierlijke lijnen en rode en okerbruine tinten.
Als beide kunstenaars iets gemeen hebben, dan is het wellicht die dromerige sfeer die een eigen vertaling vindt op de grens van figuratie en expressie, sierlijkheid en abstractie. Mare van de Woude speelser en grilliger, Anne Huitema geserreerder en preciezer, maar beiden nog altijd passend in het brede spectrum van de post-cobra periode die in Friesland ook tot ver na de jaren vijftig bij veel kunstenaars aanwezig blijft en eigenzinnige vertolkingen vindt in heel persoonlijke beeldtalen.

12 mei 1965, Opening Haudmare, v.l.n.r: Mare van der Woude,Tsjeerd Visser. Jaap Romijn met echtgenote en Jerre Hakse
Mare van der Woude en Anne Huitema, ze gaan ieder hun eigen weg, Anne woonachtig in Langezwaag en Mare zo’n twintig kilometer verderop in Duurswoude, waar zij samen met Tsjeerd Visser vanaf het midden van de jaren zestig een oude school stilaan omtovert tot een bloeiend kunstenaars- en expositiecentrum, Houdmare is de naam, waarin de naam van Mare terugkeert, een naam die ook in die omgeving is terug te vinden. In de tweede helft van de jaren zestig maakt Mare van der Woude een snelle ontwikkeling door. Ze gaat schilderen en experimenteert met nieuwe materialen en technieken op board en karton. De invloed van Boele Bregman, met wie zij in die jaren een nauwe relatie onderhoudt, is duidelijk afleesbaar in haar werk. Jaap Romijn, destijds directeur van Museum het Princessehof raakt onder de indruk, met als gevolg dat Mare van der Woude eind jaren zestig vrijwel jaarlijks in dit museum exposeert en in de kritiek veel waardering ondervindt.

Zij tekent en schildert een vergelijkbare dromerige wereld als Boele Bregman, poëtisch en soms ook paradijselijk, en dan weer vol heimwee als zoekend naar een verloren land. ‘De mens is een zwerver in de ruimte, een taster in de nacht, een gekooide in het leven, een denkend maar niet begrijpend en onbegrepen dier’, zoals een criticus schrijft in die tijd. Het is een wereld waar de poëzie van het woord en van het beeld soms naadloos in elkaar overgaan, zoals ook blijkt in de prachtige uitgave ‘Nachtboot’, die in 1968 verschijnt, met poëzie en afbeeldingen van werk van Mare van der Woude, Boele Bregman, David van Kampen en Tsjeerd Visser. In deze bundel stonden Bregmans gedichten zonder punten, komma’s of kapitalen afgedrukt naast etsen van gekooide vrouwen en vogels. Het werk van Boele Bregman en Mare van de Woude komt dan heel dicht bij elkaar. Temidden van deze poëtische beelden, die soms herinneringen oproepen aan Anton Heyboer, drong de sfeer van de jaren zestig ook buiten de grotere steden langzaam Friesland binnen.

Mare van der Woude en Boele Bregman zijn duidelijk twee geestverwanten die je achteraf wellicht beide zou kunnen rekenen tot wat weleens de `Heerenveense school’ is genoemd, een term die in 1980 door Peter Karstkarel werd geijkt, waarbij niet geheel duidelijk is of het stilistische kenmerken zijn of de geboortegrond die deze kunstenaars met elkaar gemeen hebben. Boele Bregman, Sjoerd de Vries, Sies Bleeker en Willem van Althuis worden gerekend tot deze groepering. Van een echt inhoudelijke verwantschap tussen deze individuele kunstenaars was weinig sprake, al is daar wel eens naar gezocht. Zo zou je kunnen wijzen op het wonderlijke licht in het landschap tussen Heerenveen en Drachten of de hang naar solitaire eigenzinnigheid die onafhankelijk van elkaar zich aandiende bij kunstenaars uit deze contreien. Maar ook op het netwerk contacten dat op verschillende momenten in de tijd samenkwam in de stimulerende rol van Thom Mercuur. En natuurlijk in de gezamenlijke bewondering voor Boele Bregman, wiens werk die in die jaren alom bewondering wekte. De poëtische wereld, die uit zijn werk naar voren trad, bracht bij kunstenaars van een jongere generatie zeker een schok van herkenning teweeg.

1968: v.l.n.r.: Rob Hoele, Anton Rinzema, Syb Velink en Anne Huitema
Ook het werk van Anne Huitema wordt wel eens tot de Heerenveense school gerekend. Ook daar ligt dus een voorzichtige dwarsverbinding tussen het werk van deze beide exposanten. Maar ze opereerden in verschillende groepen. Anne Huitema sluit zich in 1968 aan bij een kleine groep kompanen, waar ook Rob Hoelen, Anton Rinzema, Sies Bleeker en Sieb Velink deel van uitmaken. Het is de tijd dat de grote kustenaarsverenigingen in Friesland uiteen vallen, ‘It Frysk palet’ is dan al een paar jaar opgeheven en en ook ‘It Boun fan Fryske Keunstners’ houdt op te bestaan. Men zoekt steun in kleine groeperingen om gezamenlijk verder te gaan. Het werk van Anne Huitema ontwikkelt zich vanaf het eind jaren zestig in een heel eigen richting met steeds complexer opgebouwde composities, van kastelen, plattegronden, architectuur en landschap, waarbij hij feilloos zijn elementen weet te kiezen die wezenlijk zijn voor een heldere compositie. Anne groeit in die jaren uit tot een van Frieslands knapste grafische kunstenaars, in een tijd dat de grafiek als kunstvorm in heel Nederland een hoge vlucht neemt. Mare de Woude werkt dan verder in Houdmare, dat zich vanaf 1969 ontwikkelt tot de eerste en wellicht ook enige kunstenaarscommune van Friesland, een novum dat veel aandacht in de media teweeg brengt. De jaren zestig hebben dan Friesland definitief bereikt.

Anne Huitema, Rivier
Mare van de Woude en Anne Huitema vertellen met hun werk, dat hier bijeen is gebracht, een verhaal dat thuishoort in de jaren zestig en zeventig. Het zijn de jaren dat de vertraagde doorbraak van de moderne kunst in Friesland zijn beslag kreeg, maar enkelingen hun eigen weg bleven vervolgen, sommigen – zoals Anne Huitema – tot op de dag van vandaag. De jaren zestig gingen in een vloek en zucht voorbij en de jaren zeventig zetten zich traag in beweging in een tijd dat Nederland aan het bekomen was van de opkomende welvaart en de maalstroom van vernieuwingen. Friesland kende zijn eigen geschiedenis in die tijd. Deze tentoonstelling voegt iets toe aan dat grote verhaal, op een wijze die voor velen verrassingen kan opleveren. Langzaam, maar onafwendbaar geeft de Friese kunst zijn geheimen prijs.

Se skilderen, se skreaune, de fjouwer keunstners dy’t ein jierren sechstich it tydskrift Nachtboot makken: Boele Bregman, Mare van der Woude, Tseard Visser en David van Kampen. It earste nûmer seach it ljocht by de útstalling ‘houdmare’ yn Duurswoude yn 1968. It soe tagelyk ek it lêste nûmer wêze.

It wurk fan Mare van der Woude (1936) hat wat mearke-achtichs, it beweecht him op de grins fan figuraasje en abstraksje. It is in dreamige, poëtyske, omtrint paradyslike wrâld dy’t se yn har skilderijen en tekeningen delset. Mar der is ek de oare, mear tsjustere kant dêr’t mankelikens mei mank is, in Fernweh, in omsjen nei in ferlerne tiid. It wurk lit tinke oan dat fan Paul Klee of Giacometti, mar foaral ek oan dat fan har konfrater en ‘broertje’ Boele Bregman.

Lykas Thom Mercuur, Sjoerd de Vries, Anne Huitema, Sies Bleeker kamen de keunstners dy’t mei Nachtboot anneks wiene winliken allegearre út de omkriten fan It Hearrenfean. Se koene inoar, lutsen mei-inoar op. Dochs wiene se ek bot op harren sels, yndividualisten, guon de einzelgängerische kant it neist.

Der kin ta in hichte praat wurde fan in ‘Heerenveense school’. Binende eleminten dêryn soenen dan it lânskip wêze, mei dêrnjonken tal fan stilistyske skaaimerken. Boele Bregman en Mare van der Woude – se wie Bregman syn grutte Muze – binne yn harren wurk it meast oan inoar besibbe.

fan de goaden

Yn it by Perio útbrochte boekje Libje yn liende tiid (2014) seit skilder Sies Bleeker oer Bregman, de dûbelkeunstner: ‘Hy wie in dichter, mei in grutte foarleafde foar Achterberg, Bloem, Marsman en Slauerhoff. Mei en troch Mare van der Woude, waans skilderwurk yn myn eagen noch altiten oan dat fan de goaden rikt, hat er werklik de guts krigen.’

Bewearde Bleeker mei dat sizzen miskien dat Mare van der Woude mei har wurk de oanjouwer wie foar Bregman as it om de styl gyng?

Oer har manier fan wurkjen skriuwt se yn it brief ‘lief broertje’, dat ek opnommen is yn Nachtboot: “als ik tijdens het werk ga denken gaat het mis. (…) schilderen is voor mij goed luisteren en niet doen wat ik wil maar wat het schilderij wil.”

It is in sizzen oer in meitsjen fan keunst wêrby’t de spontaniteit (de boartlikens) yn alle gefallen foar de ratio giet, it binne hertstocht en oerjefte dy’t liedend binne.

Gjin keunst of der is ek de twivel, of sa’t Van der Woude it mei in prachtige, hast Nescio-achtige sin ferdútste: “soms kan alles me gestolen worden. (…) ik zou onderaan een dijkje willen liggen, vlak bij een windmolentje…”

Sies Bleeker hie it goed sjoen doe’t er stelde dat it skilderwurk fan Mare van der Woude fan de goaden is. In part derfan heart ta de fêste kolleksje fan Museum Dr8888. Har wurk fertsjinnet mear omtinken, bygelyks mei in grutte oersichtsútstalling yn datselde Drachtster museum.

lief broertje…………………………………………………………………….. duurswoude 21 juli 1968

wat is het moeilijk om iets met woorden door te geven. ik had het in mijn hoofd gezet om over mijn werk te schrijven, maar alles wat er uitrolt, niet daarover ik weet gewoon niet wat ik er mee moet – weet je, als ik een schilderij gemaakt heb ben ik eraf. – of ik ben met een volgende bezig, maar dat is geen kwestie van denken, dat is doen. het enige wat ik moet bedenken is zorgen dat het materiaal er is en dat ik tijd heb. als ik tijdens het werk ga denken gaat het mis. vroeger had ik last van heel mooi wit duur papier. dan zat ik er een tijd voor te staren met een pennetje in mijn hand. als ik het nou verknoei is er zestig cent naar de maan nam ik heel goedkoop krantenpapier, dan wat ’t over…
schilderen is voor mij goed luisteren en niet doen wat ik wil maar wat het schilderij wil. alleen de eerste kleuren en lijn zijn van mij, maar al gau heb ik er niets meer over te zeggen en een eigenwijsheid, b.v. zal ik eens een heel gemeen of geweldig blauw gebruiken, wordt onmiddelijk gestraft.
en ’t is steeds weer onbekend wat ik ga maken. ik kan dus ook nooit een ingewikkeld verhaal bedenke, zoiets van: “kijk, door die en die kleuren te gebruiken krijg ik een zus of zo diepte werking of weet ik veel.
soms herken ik een motief – ik zat laatst in de zon met opgetrokken knieen, die knieen waren net twee glimmende bruine oude mannen schedeltjes met wat wit donshaar, even later werden de omtrekken een M, en toen was ’t opeens een bergje met een gleufje. nu staan ze op een schilderij. niet als schedeltjes, niet als m, niet als een heuveltje met een spleetje maar als ja… dat weet ik niet, daar is geen woord voor, dat is om naar te kijken.
ik begin steeds meer bewondering te krijgen voor schrijvers, sommige dan, want ik denk ook wel es na een dikke pil van 400 bladzijden “’t kon wel wat simpeler, één bladzijde was misschien wel “genoeg”. als-ie de tijd van die 399 bladzijden schrijven gebruikt had om in z’n tuintje te werken was hem misschien een woord ingevallen, zo’n woord wat in je handen kan koesteren en iet eens op hoeft te schrijven, maar ja, dan is’t niet voor de anderen, hè?
ik geloof dat ik met mijn schilderen daar naar toe werk, steeds vereenvoudigen steeds verder terug naar het begin. ’t is ook best mogelijk dat ik heel wat anders wil maar dan wordt het zo ingewikkeld. ik heb trouwens net gelezen dat mensen met een kort pinkje zich slecht in woorden uit kunnen drukken en mijn ene pink is nog korter dan de andere weet je dat? – er loopt een spin over de muur, als ik hem aanraak maakt hij gauw een draadje en laat zich als de bliksem zakken in een donker hoekje. –
ik zag een programma op de t.v. waarin amateurs op muzikaal gebied een kans krijgen om hun prestaties ten gehore te brengen. Er zitten vijf jury leden, elk in een afzonderlijk hokje. in elk hokje hangt een touwtje waar ze aan kunnen trekken las het hen onder de maat lijkt. wanneer ze dat allemaal hebben gedaan gaat er een paard heel hatelijk hinniken en het podium waar de zanger of zangeres op staat draait langzaam uit het beeld. Het is niet om aan te zien, dan staan ze nog maar wat te buigen, te lachen of te kijken verwezen om zich heen. als ik daar zo zou staan dan zou ik ter plaatse in een spin willen veranderen. Ik moet voor me zelf aan een touwtje trekken en eerlijk zijn.
en als ik nu eerlijk ben moet ik je zeggen dat ’t me soms allemaal gestolen kan worden en dat ik jaloers naar mijn buurvrouw kijk die vol toewijding wit zand op haar paadje strooit en vlees braadt voor de zondag. of zou ik onderaan een dijkje willen liggen, vlak bij een windmolentje…

zoen van je Mare

ZIE VOLGENDE LINK: https://eeltsjehettinga.nl/mare-van-der-woude-als-ik-tijdens-
-het-werk-ga-denken-gaat-het-mis/
Datum toegevoegd: 12/07/2006 door: De Kunsthistoricus
Copyright © 2019 Kunstverzameling Henk van der Kamp - toevoegen aan favorieten
Powered by Zen Cart